Ik heb de mens eens als gast in mijn huis uitgenodigd. Hij rende echter voortdurend alle kanten op als ik hem riep; alsof ik hem naar het executieterrein had gebracht in plaats van hem als gast uitgenodigd te hebben. Daarom is mijn huis leeg gebleven, want de mens heeft mij altijd gemeden en is altijd op zijn hoede geweest jegens mij.
Nooit in de ervaring van de mensheid is mijn persoon er geweest, of de leiding van mijn woorden. Daarom heb ik me steeds op afstand van de mensen gehouden en heb ik hen vervolgens verlaten. Ik veracht de ongehoorzaamheid van het mensdom. Ik weet niet waarom. Het lijkt alsof ik de mens vanaf het begin heb gehaat, en toch voel ik diep medelijden voor hem. En zo beziet de mens mij met twee harten, want ik bemin de mens en haat hem tezelfdertijd.
